Regelgeving
Bijtincidenten in de openbare ruimte maken weliswaar slechts één derde uit van het totale aantal bijtincidenten, ze dragen wel in belangrijke mate bij aan een gevoel van onveiligheid van de burger. De overheid heeft een wetgeving ingesteld om de orde te handhaven en het gevoel van veiligheid bij de burger te bevorderen. Hierbij wordt gericht op de combinatie van hond en eigenaar.
Een bijtincident kan allereerst strafrechtelijk afgehandeld worden in het geval van ernstige bijtincidenten. De sancties bestaan uit geldboetes en gevangenisstraf. In artikel 425 van het Wetboek van Strafrecht wordt aangegeven dat strafbaar is:
‘Hij die een dier op een mens aanhitst of een onder zijn hoede staand dier, wanneer het een mens aanvalt, niet terughoudt’ en ‘hij die geen voldoende zorg draagt voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier’.
Honden die een mens hebben gebeten, kunnen in beslag worden genomen en door een gedragsdeskundige onderzocht. Als ze ‘bijtgevaarlijk’ zijn worden ze gedood. Wanneer ze dat niet zijn, worden ze teruggegeven aan de eigenaar.
Daarnaast is er ook een mogelijkheid om bestuursrechtelijk op te treden. Gemeenten hebben in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV) regels vastgelegd met betrekking tot het houden van honden in de openbare ruimte. Hondeneigenaren die zich niet aan deze regels houden, kunnen rekenen op een boete of dwangsom.
In uitzonderlijke gevallen kan de burgemeester een hond gevaarlijk verklaren en de eigenaar beperkingen opleggen zoals een muilkorf- en/of aanlijngebod. Als deze zich hier niet aan houdt kan de burgemeester de hond in beslag laten nemen op grond van artikel 172 lid 3 van de Gemeentewet. Daarna kan hetzelfde traject worden doorlopen als bij de overtreding van artikel 425 Strafrecht.
|